Instellingen afwachtend over advies Raad van Cultuur


Begin maart presenteerde de Raad voor Cultuur haar advies Cultuurbeleid: innoveren, participeren! Wat betekent dit advies voor het culturele klimaat in het landsdeel Oost-Nederland? En hoe moeten Gelderland en Overijssel straks omgaan met de landelijke fondsen? Zulke vragen stonden centraal tijdens de bijeenkomst die Lux op 14 maart samen met de provincie Gelderland organiseerde. “Ik zou zorgen dat ik een platformfunctie krijg en verbindingen maken met andere instellingen. Kijk om je heen en organiseer dat!”


Het advies van de raad bevat twee soorten aanbevelingen: enerzijds voor een agenda voor het cultuurbeleid, anderzijds voor de invulling van een culturele basisinfrastructuur. De bijeenkomst in Lux, die het karakter had van een expert meeting, focuste vooral op dat laatste deel, met de nadruk op de gevolgen voor Oost-Nederland. De ambities zijn bescheiden, zei programmamaker Allard Koers vooraf. “Het zou al mooi zijn als we duidelijkheid in de onduidelijkheid konden scheppen.”


Kees Weeda, algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur, lichtte tijdens zijn inleiding de kern van het advies toe. Innoveren en participeren zijn de belangrijkste uitgangspunten voor het toekomstige cultuurbeleid. De raad heeft als vertrekpunt gekozen voor cultureel burgerschap. Dat moet volgens Weeda “een leidend beginsel zijn bij het denken over het cultuurbeleid van de komende jaren”.


Het tweede deel van het advies gaat over de invulling van de culturele basisinfrastructuur. Daaronder vallen instellingen die vanuit zowel landelijk als regionaal of lokaal perspectief onder rechtstreekse ministeriële verantwoordelijkheid functioneren. Concreet is het een subsidiekwestie: sommige instellingen krijgen hun subsidie straks rechtstreeks van OCW, andere worden meerjarig door de fondsen gesubsidieerd.


Net als de minister onderscheidt de raad drie functies die directe bemoeienis van OCW rechtvaardigen: ondersteunen, ontwikkelen, instandhouden. Het onderscheid tussen de basisinfrastructuur en de fondsen is echter niet in deze functies gelegen, zei Weeda. “Instellingen die niet tot de basisinfrastructuur horen, maar wel taken verrichten die onder deze structuur vallen – zoals talentontwikkeling – moeten die taken vanuit de fondsen gesubsidieerd kunnen krijgen.”


De raad zegt niet welke instellingen straks onder de basisinfrastructuur zullen vallen. Weeda: “In de adviesaanvraag staat dat instellingen tot die structuur gaan behoren als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen of tot de regionale kerninfrastructuur kunnen worden gerekend. Er zal een stevige discussie komen over de vraag om welke instellingen het gaat.”


Starheid


“Welke kansen en bedreigingen ziet u in dit advies”, vroeg gespreksleider Piet-Hein Peeters aan de zaal. Een lijstje was snel gemaakt. De belangrijkste kansen lijken de regionale insteek, een samenhangend cultuurpakket in Oost-Nederland, de continuïteit van het cultuurbeleid, en de inhoudelijke aanpak. Daar staan echter risico’s tegenover: de top-down benadering, zodanige financiering dat de acht brandpunten die de raad in Nederland voor ogen heeft, vergelijkbaar zijn, de noodzaak van een omslag in het denken, en de vertaalslag naar de verschillende sectoren.


Peeters vond de reacties van de zaal echter maar lauw. “Ik proef rust, gelatenheid.” “Er zit een verkapt budgettair activisme achter dit plan”, zei een man in de zaal prompt. “De raad is bezig met een selectieproces waarvoor geen bestuurlijke basis bestaat. Zo wordt bijvoorbeeld het aantal jeugdtheatergezelschappen teruggebracht van twaalf naar acht zonder enige argumentatie.”


“Is er verschil tussen de papieren en de echte werkelijkheid”, vroeg Peeters. “Achter het rapport – dat je de papieren werkelijkheid zou kunnen noemen – zit uitgebreide kennis over de echte werkelijkheid”, reageerde Weeda. “Het advies is bovendien een voorstel. Er is beslist ruimte voor amendementen.” Weeda wilde ook de angst wegnemen dat instellingen die buiten de basisinfrastructuur vallen, niet belangrijk zouden zijn. “Wij hebben willen aangeven dat de financieringsstroom niets zou mogen zeggen over het belang van een instelling.”


“Gaat u proberen zoveel mogelijk instellingen in de basisinfrastructuur te krijgen”, vroeg Peeters aan Hans Esmeijer, de huidige en beoogde gedeputeerde van Cultuur in Gelderland. “Ik heb nog geen strategie bepaald. Belangrijk is vooral dat de basisinfrastructuur geen metselwerk wordt waar we nooit meer vanaf komen. Het is net als met drie sterren: als je ze eenmaal hebt, is het mooi. Maar het is erger als je de derde kwijtraakt dan wanneer je hem nooit hebt gehad. Starheid is een gevaar dat op de loer ligt.”


Staalkaart


Alex Kühne, zakelijk directeur van Toneelgroep Oostpool, heeft vorige maand met vijftien collega’s een staalkaart van Oost-Nederland gemaakt. De staalkaart geeft een overzicht van de aanwezige en deels gewenste functies. Gezelschappen krijgen de gelegenheid in te tekenen op deze functies. De staalkaart is inmiddels aangeboden aan onder andere de gedeputeerden van Cultuur en de wethouders van Cultuur in zeven grote steden in Gelderland en Overijssel. “Wat betreft de indeling in functies is er een verschil met het advies van de raad op het gebied van het aantal jeugdtheatergezelschappen”, ze Kühne. “Over de daling van twaalf naar acht gezelschappen heb ik geen motivatie gelezen. Verder zie ik tussen onze staalkaart en het advies vooral overeenkomsten.”


Er ontstaat onduidelijkheid doordat de raad geen man en paard noemt, vond een medewerkster van Theaterwerkplaats Generale Oost in Arnhem. “De belangrijkste drijfveer om geen instellingen bij naam te noemen, is dat we een nieuwe situatie beschrijven”, reageerde Weeda. “De instellingen komen zelf nog met plannen. De komende maanden zal de minister uitgebreid praten met collega-bestuurders. Daarna ligt er een kader dat de basis vormt voor instellingen om zich op in te schrijven.” Kühne: “Wij hebben wel man en paard genoemd, juist om de papieren discussie te vermijden.”


Ik ben heel blij met de staalkaart, zei de Nijmeegse cultuurwethouder Hannie Kunst. “Ik hop dat we het huidige aanbod in Nijmegen in stand kunnen houden. Ik zal de partijen die zich hebben ingeschreven uitnodigen en daarnaast kijken of er nog andere partijen zijn. Verder hoop ik dat er snel een nieuwe gedeputeerde komt zodat er afstemming in de provincie mogelijk is.”


Gezamenlijk fonds


Aansluitend ging Hans van Maanen in op de bevindingen van de commissie Alons, die een belangrijke tussenstap vormde op weg naar de nieuwe subsidiesystematiek. Van Maanen is hoogleraar kunstwetenschappen en bestuurslid van het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten (FAPK). Hij was bovendien zelf lid van de commissie Alons. Die commissie is in het leven geroepen omdat het Fonds Scheppende Toonkunst een nieuwe plaats moest krijgen in het bestel. De minister gaf opdracht om te kijken of er een gezamenlijk fonds kon komen voor alle podiumkunsten. “Het voorstel van de commissie voor zo’n nieuw fonds is maar op één punt spraakmakend”, zei Van Maanen. “Belangrijke taken van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing (FPPM) en producerende fondsen werden in elkaar geschoven. De commissie dacht in een keten van scheppen, uitvoeren, programmeren en publiek opbouwen. Daarnaast is een belangrijk punt van Alons: hoe langer de periode waarvoor een instelling subsidie krijgt, des te meer er moet worden nagedacht over de betekenis van die instelling in haar werkgebied.”


FPPM–directeur Martin van Ginkel realiseerde zich dat instellingen bezorgd zijn over de vraag of de fondsen wel voldoende oog hebben voor Oost-Nederland. “Bij de uitwerking van het nieuwe fonds is de afstemming erg belangrijk. Bij de keuze of een instelling in de basisinfrastructuur valt, speelt de historie natuurlijk altijd een rol. Maar we maken wel een knip. Er komt een vierjarige regeling waar iedereen op kan intekenen.”


Als het gaat om de belangen van de regio’s wordt hét document voor die vier jaar de sectoranalyse waarin decentrale overheden en het Rijk samen bepalen wat er nodig is in een regio, zei Van Maanen. “Dat plan wordt de basis voor de afspraken tussen de overheden. Het nieuwe fonds zal de opdracht krijgen om te adviseren in het kader van dat plan.”


Uitgaan van eigen kracht


“Ik weet nog steeds niet welke inhoudelijke criteria bepalen of een instelling onder de basisinfrastructuur valt”, zei Josee Hussaarts, artistiek leider van Theatergroep Kwatta. Weeda: “We zullen met elkaar een reeks criteria moeten afspreken. De raad heeft geprobeerd aan te geven dat de vraag of een instelling in de basisinfrastructuur valt, geen oordeel inhoudt over de artistieke kwaliteit.” Van Maanen: “Ik heb in het plan van de raad gelezen dat instellingen die een platformfunctie in een netwerk van andere instellingen vervullen, in elk geval in de basisinfrastructuur thuishoren. Instellingen die meer op zichzelf staan, kunnen toch onder de basisinfrastructuur vallen als ze bijvoorbeeld een specifieke kernfunctie hebben.”


“Stel”, zei gespreksleider Peeters tot slot, “u bent directeur van een cultuurproducerende instelling in Oost-Nederland. Wat zou u als eerste doen in het kader van deze systematiek?” Van Ginkel: “Eerst kijken waar mijn kansen liggen en me afvragen of ik niet veel beter tot mijn recht kom buiten de basisinfrastructuur. Daarnaast zou ik uitgaan van mijn eigen kracht en plan. Ik zou niet toeschrijven naar iets als het niet van mezelf is.” Van Maanen: “Ik zou zorgen dat ik een platformfunctie krijg en verbindingen maken met andere instellingen. Kijk om je heen en organiseer dat! Dat is het grote gebrek van het huidige bestel: instellingen worden gesubsidieerd om hun eigen dingen te doen.”


Datum debat: 14 maart 2007


  • Home
  • Artikelen
  • Boeken
  • Webteksten
  • Debatverslagen
  • Jaarverslagen
  • Eindredactie
  • Research
  • Profiel
  • Opdrachtgevers
  • Contact

    

Copyright © 2011 Machiel van Zanten | 06 - 22 25 97 98